Eenzaamheid in Nederland op de kaart maar aanpak moet beter

30/09/2016

Met de aanpak van eenzaamheid gaat het in Nederland de goede kant op. Vergeleken met tien jaar geleden staat eenzaamheid als maatschappelijk vraagstuk nu echt op de kaart.

Dat was het positieve nieuws van de expertmeeting die Coalitie Erbij hield aan de vooravond van de zevende landelijke Week tegen Eenzaamheid. Maar een conclusie van de bijeenkomst op 19 september in Amsterdam luidde ook dat het nog schort aan effectieve interventies tegen eenzaamheid, zeker met het oog op nieuwe risicogroepen.

theo van tilburg“Sinds 2007 is er rond de aanpak van eenzaamheid behoorlijk wat veranderd”, hield op de bijeenkomst prof. dr. Theo van Tilburg van de VU zijn gehoor van ruim dertig eenzaamheidsdeskundigen voor, waaronder de kernleden van Coalitie Erbij en vertegenwoordigers van kennisinstituten, het ministerie van VWS, VNG en ZonMw. Middagvoorzitter was directeur Arie Ouwerkerk van Coalitie Erbij. In zijn presentatie ‘Tien jaar kijken naar eenzaamheid (2007 – 2016)’ over preventie, oorzaken, gevolgen en aanpak van eenzaamheid, blikte Van Tilburg terug op hoe het denken over dit maatschappelijk vraagstuk is geëvalueerd sinds het verschijnen van ‘Zicht op eenzaamheid’. In dat boek ging hij in 2007 samen met co-auteur prof. dr. Jenny Gierveld uitgebreid in op de verschillende vormen van eenzaamheid en op het voorkomen, oplossen of verzachten ervan.

Gemeente als nieuwe ‘speler’

Van Tilburg: “Dankzij ook de start van Coalitie Erbij in 2008 bestaat er nu brede aandacht voor eenzaamheid. Naast een welzijnsvraagstuk is het een zorgvraagstuk geworden, met ook een sterke toename van ideeën van mensen, organisaties en overheden over hoe je eenzaamheid kunt aanpakken.” De VU-socioloog wees erop dat met de vernieuwing van de Wmo de aanpak van eenzaamheid in plaats van een landelijke onderwerp nu een lokale zaak is geworden, met de gemeente als ’nieuwe speler op veld’. Daarbij is het volgens Van Tilburg voor gemeenten vooral zaak dat ze er in slagen dat mensen weer meer voor elkaar gaan zorgen – ”waarbij je je als gemeente ook op preventie richt” – en dat ze eenzaamheid aanpakken waar het probleem zich voordoet met interventies die echt effectief zijn: “Gemeenten moeten aan allebei werken, want het zijn twee heel verschillende soorten oplossingen.”

Buurtopbouw nieuwe stijl

Voor preventie van eenzaamheid benadrukte Van Tilburg dat de hervorming van de Wmo niet inhoudt dat kinderen van ouderen alle zorg op zich nemen. “Er moet een beroep kunnen worden gedaan op netwerken, maar die zijn op veel plaatsen nog afwezig. Vergeleken met tien jaar geleden weten we nu dus veel meer over welke richting we uit moeten denken, maar de grote slag moet nog worden gemaakt.” Gemeenten hebben volgens de VU-socioloog tot taak te zorgen voor een meer ‘inclusieve’ samenleving en dus waken voor uitsluiting van groepen. Een probaat middel daarvoor is buurtopbouw nieuwe stijl. “Doel moet zijn van de buurt weer echt een buurt maken. Zoals dat dertig jaar geleden gebeurde, maar waarbij je de waardevolle elementen van de aanpak van toen op een nieuwe manier vormgeeft.“

Eenzaamheidsschaal breed toepasbaar

Van Tilburg stond in zijn presentatie ook stil bij de brede toepasbaarheid van de door collega-onderzoeker Gierveld ontwikkelde meetschaal voor eenzaamheid (1985). Onderzoek van de laatste paar jaar toonde aan dat de schaal waarbij aan de hand van elf stellingen wordt gemeten hoe eenzaam iemand is, toepasbaar is ongeacht de populatie (jong/oud, autochtoon/allochtoon, man/vrouw, enz.). Behalve in Nederland wordt de schaal in veel andere landen gebruikt. Een uitzondering op die regel vormt het CBS (met het SCP) dat al jaren een andere schaal hanteert. Gierveld kondigde op de bijeenkomst in Amsterdam aan dat daar vanaf volgend jaar verandering in komt. Het CBS stapt dan gedeeltelijk over naar haar schaal en afhankelijk van die ervaring in 2018 helemaal.

Van Tilburg stelde overigens ook dat het belang van exacte prevalentie (het percentage van de bevolking dat bij het moment van meting aan eenzaamheid lijdt) wordt overschat. “Belangrijker wordt het als je wilt gaan meten of dit percentage verandert. Dan moet je ervoor zorgen dat je dat heel nauwkeurig doet.” Bij die vraag – is onze samenleving eenzamer geworden of niet? – tekende de VU-socioloog aan dat alleen langetermijnonderzoek een betrouwbaar antwoord oplevert. Hij wees erop dat dit in Nederland alleen bij zijn eigen universiteit gebeurt, met het LASA-onderzoek (Longitudinal Aging Study Amsterdam, looptijd 25 jaar).

Nieuwe risicogroepen nog onvoldoende in beeld

Het LASA-onderzoek laat volgens Van Tilburg zien dat er een lichte afname is van het individuele risico op eenzaamheid. Zo is de kans dat een oudere gescheiden man eenzaam is nu kleiner dan twintig jaar geleden. Tegelijkertijd blijft er een groot risico op meer eenzaamheid in onze samenleving door de sterke toename van het aantal mensen in traditionele risicogroepen, zoals alleenwonenden en oudste ouderen. Zo laten LASA-gegevens zien dat bij alleenwonende ouderen (vanaf 55 jaar) niet alleen het aantal alleenwonenden met een hoge leeftijd toeneemt maar ook de kans op eenzaamheid binnen die groep. Van Tilburg: “We weten dit al heel lang. Wat we niet weten is hoe het precies zit bij nieuwe risicogroepen zoals migranten, laagopgeleiden, digibeten, licht verstandelijk gehandicapten, zeer oude echtparen, en mantelzorgers. We weten dat er bij al die groepen eenzaamheid veel voorkomt, maar wat er speelt weten we nog niet precies. Waarbij ik ook aanteken dat risico niet het zelfde is als oorzaak van eenzaamheid. Bij onderzoek moeten we die twee dingen zorgvuldig uit elkaar houden. En daar valt nog heel wat in te doen.”

De VU-socioloog wees er ook op dat segmentatie, mensen met hun kenmerken indelen in categorieën van eenzaamheid– zoals dat in op de meeting eveneens gepresenteerd onderzoek van Deloitte is gedaan zeer zinvol is. Dit noodzaakt dat er voor die specifieke groepen ook een specifieke aanpak van eenzaamheid is. “Dat heb je als samenleving niet een, twee, drie voor elkaar. Het duurt misschien wel een jaar of tien voor we dat op die manier anders hebben georganiseerd.” Ten behoeve van beleidsmakers pleitte Van Tilburg ook voor een meer zorgvuldige keuze van geboden oplossingen. Zelf ziet hij op het gebied van eenzaamheidsinterventies zowel wat betreft screening van eenzamen als de uitvoering nog veel “hobbyisme en internet-wildgroei”.

Voor- én nameting

Van Tilburg gaf aan dat vergeleken met tien jaar geleden de gedachte bij onderzoekers over wanneer je eenzaamheid moet aanpakken ook is veranderd. “Tegenwoordig zeggen we dat aanpak niet in alle situaties gewenst is. Lijden hoort ook bij het leven. Zolang het niet ondraaglijk en langdurig is. Bij een begrafenis is er immens verdriet en ook veel eenzaamheid, maar of je dat op dat moment moet gaan aanpakken is de vraag. In ons recente denken willen we toe naar dat een aanpak gekoppeld moet zijn aan een type eenzaamheid.” Een interventie hoeft ook niet alleen eenzaamheid als doel te hebben, maar mag ook veel breder gericht zijn, zoals op een leefbare wijk. “En als we nog geen oplossing hebben voor een specifieke vorm van eenzaamheid, moeten we ook niet gaan zeggen dat we dat wel al kunnen”, aldus de VU-socioloog die pleit voor een voor- en een nameting om de effectiviteit te achterhalen. “Je moet ook kritisch naar jezelf zijn en kijken hoe je je aanpak kan verbeteren. Zo’n nameting gebeurt nu veel te weinig.”

Effect eenzaamheid op zorgconsumptie

Waar onderzoekers destijds ook geen zicht op hadden, maar wat epidemiologisch onderzoek ondertussen onomstotelijk heeft aangetoond, is dat eenzame mensen een grotere kans hebben dan niet eenzame mensen om vroegtijdig te overlijden. Ook hebben ze meer kans op stress en op het krijgen van chronische ziekten. Wat dit precies betekent voor het zorggebruik van eenzamen, is een vraag die beleidsmakers graag met hard bewijs beantwoord willen zien. Van Tilburg: “Theoretisch moet eenzaamheid tot meer zorgconsumptie leiden, maar het harde bewijs daarvoor levert ons LASA-onderzoek niet.” Benieuwd was de VU-socioloog daarom naar de data-analyse op basis waarvan Deloitte Human Capital van het gelijknamige accountancy- en adviesbureau tot de conclusie is gekomen dat er inderdaad een link is tussen eenzaamheid onder 50-plussers en hun zorgconsumptie.

De presentatie van dit Deloitte-onderzoek maakte ook deel uit van de expertmeeting, die voor de gelegenheid plaatsvond in het gloednieuwe hoofdkantoor van Deloitte aan de Amsterdamse Zuidas. De Deloitte-onderzoekers leggen op basis van een analyse van data van de gezondheidsmonitor van het RIVM en van statistieken van het CBS op wijkniveau een verband tussen het aantal eenzame inwoners per wijk en de vraag naar huishoudelijke hulp vanuit de Wmo. “Die hulp heeft ook een sociale component. Juist eenzame mensen hebben daar behoefte aan”, aldus Menno ter Wall, manager public sector van Deloitte. Conclusie: wanneer eenzaamheid wordt teruggebracht, dalen de daaraan gerelateerde zorgkosten. Opvallend noemt Deloitte het sterke verband tussen eenzaamheid en zorgkosten bij mensen in de leeftijd tussen 50 en 65 jaar. (Lees over het onderzoek hier) Naast huishoudelijke hulp keken de onderzoekers ook naar andere vormen van zorg aan huis, zoals verpleging en persoonlijke verzorging, maar voor die zorgsoorten werd geen verband gevonden.

Beschermende factoren

Drs. Trudi Nederland, senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut, ging met haar presentatie nader in op de relatief grote eenzaamheid bij ouderen van Turkse en Marokkaanse komaf. Volgens RIVM-cijfers van 2013 voelt onder allochtonen van niet-westerse komaf 40% zich matig eenzaam en 20% sterk eenzaam. Onder autochtonen zijn de percentages resp. 29% en 7%, veel lager dus. Coalitie Erbij vroeg het Verwey-Jonker Instituut uit te zoeken of dit hoge percentage klopt en zo ja wat hier dan de verklaring voor is. De percentages kloppen, concludeert Nederland, er is geen aanwijzing gevonden dat de gebruikte eenzaamheidsschaal voor deze groep niet gebruikt kan worden. Het hoge percentage eenzaamheid onder migrantenouderen, met name onder ouderen van Turkse of Marokkaanse herkomst, heeft vooral te maken met lage sociaaleconomische status en met chronische gezondheidsproblemen. Ook spelen cultuurspecifieke achtergronden een rol. (Lees over het onderzoek hier)

Onderzoeker Nederland benadrukte in haar presentatie dat beleidsmakers moeten afstappen van de Nederlandse beleidstraditie om vooral oog te hebben voor risicofactoren en dat er in preventieprogramma’s veel meer aandacht moet komen voor “beschermende factoren” die deze ouderen behoeden voor eenzaamheid: “Heb je die factoren in beeld, dan kun je kijken naar wat effectieve interventies zijn die die factoren versterken. Daarbij rekening houden met de specifieke culturele achtergrond van die ouderen is niet nodig. Wel moet de vorm van de interventie zijn afgestemd op hun taal en culturele achtergrond. Bijvoorbeeld door het inschakelen van ervaringsdeskundigen uit de eigen gemeenschap.”

"Social"